burningworlds (burningworlds) wrote,
burningworlds
burningworlds

Navid en de Woordenaars (Edited)

De bel bij de deur van Boekenwinkel B.K. van Wormerveer klingelt luid als Navid hem open zwaait. Het hoge, schelle geluid van de bel stemt hem meteen vrolijk. Het was haast een Pavlov-reactie. Het belletje klinkt en hij begint met kwispelen. Een andere Pavlov-reactie ontstaat door de geur van verse koffie, die uit de keuken van het inpandige cafeetje vandaan komt.
“Een hoger ontwikkelde diersoort ammehoela,” denkt hij. “Ik zal deze koffie eens bij de professor onder zijn neus houden als hij weer begint over dat de mens geen dier is.”
Hij zwaait naar Aisha en Joost die al aan een tafeltje zaten. Hun favoriete tafel aan de zijkant. Het perfecte uitzicht over de mensheid die zich door de deur stort, op zoek naar een nieuwe Fifty Shades of Hunger Games. Slechts weinigen waagden zich in hun hoek, waar de filosofische en zelfhulpboeken stonden. Perfect voor het roddelen over het onrecht in de wereld, of in ieder geval hun wereld.

“Yoho,” roept hij en hij smijt zijn tas op de stoel langs hem. De tafel trilt als hij neerploft en Aisha grijpt haar toffee nut latte voor de zekerheid vast.
“Hoi,” zegt ze. “Jij bent nog energiek zeg. Had jij niet Pathologie en Filosofie voor Natuurwetenschappen vanmiddag?”
“Nou,” antwoordt Navid, “ik zat er anders behoorlijk doorheen. Die Van der Veer weet niet van ophouden. Zonder jullie en deze plek had ik allang wat van een of andere petrischaaltje gesnoept om er maar vanaf te zijn. Jullie hebben het echt beter bekeken bij Life Sciences.”
Joost wuift Navids woorden weg.
“Jij bent gek. Na genoeg genomen en microbiële interacties gaat het je ook duizelen.”
“Laten we het over wat leuks hebben,” zegt Navid. “Joost, hoe was de wedstrijd gisteren?”
“Hah, jij zei dat we het over iets leuks moesten hebben en je begint daarover? We hebben kansloos verloren van Steenwijk, dus die tweede klasse is nog ver weg.”
Aisha trok Joost aan zijn schouders tegen haar aan.
“Steenwijk uit, altijd lastig. Maar goed dat wij met het team tweede staan. Kun je bij ons nog eens zien hoe winnen eruit ziet.”
“Hardlopers zijn doodlopers. Vergeet dat niet Aisha,” waarschuwt Navid haar plagend.
“Als dat zo is, word jij met jouw activiteitsniveau minimaal 110.”
Navid gooit z’n handen omhoog ter overgave.
“Okay, je hebt gelijk, maar ik ben sportiever dan ik eruit zie. Ik woon op de derde verdieping, onderschat dat niet.”
Joost ontworstelt zich aan de greep van Aisha en kijkt Navid schuin aan.
“Hoe staat het trouwens met jouw schrijverscarrière Navid?”
“Ehm,” begint Navid en hij staat snel op. “Ik heb nog geen koffie gehaald. Snel maar eens doen.”
Achter zich hoort hij Joost nog roepen:
“Ik hoor het al. De literaire onderscheidingen stromen al binnen.”

Hij moest er nu echt eens voor gaan zitten. Al maanden geleden had hij lopen te verkondigen de nieuwe Dan Brown/J.K. Rowling te worden, maar tot nu toe schreef hij nog minder dan het gemiddelde tienerjongen in zijn dagboek. Waar haalde die mensen de motivatie vandaan? Het was elke dag zo weer avond en dan moesten alle klusjes nog worden gedaan. Ook was er nog zoiets als colleges, tentamens en hopelijk ooit nog een scriptie. Vergeleken daarbij was het kiezen uit het menu van de boekenwinkel een peulenschil.
Hij wenkt Bart, de boekenwurm/barista du jour. Bart groet hem vrolijk terug.
“Hetzelfde als gewoonlijk?”
Navid knikt. Tijdens het wachten bladert hij afwezig wat door het folderrekje op de balie. Er zit deze week een nieuwe tussen. De voorkant is interessant genoeg om op te pakken.

- Schrijftalent opgelet! Doe nu mee met de wedstrijd van jouw leven.

“Dat lijkt me wel wat voor jou,” zegt Bart als hij Navids koffie komt brengen. “Die folders werden vanmiddag binnengebracht door een of andere kerel. Ergens eind 30 denk ik. Typisch hardrock-uiterlijk, met zo’n lange leren jas en z’n halflange haar een kant uit gekamd. Je moet vooral eens de achterkant lezen.”
Navid draait de folder om en leest de regels hardop voor.
“Deze wedstrijd wordt mogelijk gemaakt door het Literair Verbond der Fantastische Werken. Zie ook onze website...”
“Dat is in ieder geval een voldoende literaire naam,” lacht Bart.
“Ik ga hem in ieder geval meenemen,” zegt Navid en hij stopt de folder in zijn achterzak.
Terwijl hij naar de tafel loopt, brandt het papier in zijn broek. Dat was precies de motivatie die hij nodig had. De prijs was zo goed als binnen en dan was het slechts een kwestie van tijd tot de Libris Literatuurprijs.

Die avond achter zijn computer bezoekt hij meteen de website op de folder. Het zag er goed uit. Ze vroegen ook een kleine bijdrage om als geldprijs uit te reiken. Net genoeg om hem als student te motiveren, niet teveel om een week niet te kunnen eten. De uitreiking was over een maand in de stadsbibliotheek. Een mooie locatie. Het enige rare is dat ze graag de manuscripten per post wilden ontvangen. Dat klonk ouderwets, maar wat wil je met een club die het Literaire Verbond der Fantastische Werken heet? Eerst maar eens iets op papier krijgen voordat hij dat probleem überhaupt had. Er was nog wel een probleem van tevoren. Hij had namelijk nog nooit een compleet verhaal helemaal zelf bedacht. Alle lange stukken die hij tot nu toe had geschreven waren essays geweest. Wat wil hij eigenlijk schrijven? Langs de zijkant van zijn bed trekt hij een bierflesje uit de koelkast. Voor het laten stromen van de creatieve sappen heeft hij natuurlijk voldoende vocht voor nodig. Helaas was, een half uur staren naar het plafond van zijn studentenkamer later, de enige inspiratie die hij had opgedaan dat hij het nodig moest witten. Het was door de vorige eigenaar ook niet meer gedaan en hij heeft wel wat beters te doen. Zoals bedenken wie de hoofdpersoon is van zijn verhaal. Misschien na nog een biertje.



De zachte noten van zijn mobiel maken Navid weer wakker.
“Shit, is het zo laat?” flitst er door zijn hoofd als hij op het scherm kijkt. Ergens is de vage herinnering dat hij de eerste wekker heeft weggedrukt. Als hij van het bed afglijdt, loopt hij twee van de vijf flesjes om die op de grond staan.
Weer klinkt er intern een vloek als een restje bier in de goedkope vloerbedekking trekt. Het resultaat van afgelopen avond is ronduit bedroevend te noemen. Gelukkig dat hij nog een interessante droom heeft gehad. Als een soort van James Bond vloog hij over de straten heen op een motor om iets of iemand te achtervolgen, maar volgens hem had het iets te maken met een politiezaak. Hij staat op en gooit wat water door zijn gezicht. Misschien dat hij dat kon gebruiken. Een mysterie met spannende achtervolgingen. Dat was altijd populair. Voor nu was het enige spannende of hij nog ontbijt kon scoren voordat het college begon.

Met nog een hap brood in zijn rechterwang rent Navid het lokaal binnen. Ergens in het midden van de collegezaal was prima voor vandaag. De achterste rij was altijd verdacht, maar het midden was perfect om je een ‘wat beperkte interactie’ met het college te kunnen veroorloven. Het onderwerp, Onderzoeksmethodologieën, is dan ook erg droog en het helpt niet dat Heuvelmans alleen het boek in zijn totaliteit voorleest tijdens de colleges. Meteen na de start valt hem iets op dat veel interessanter is. Op een van de eerste rijen zat een meisje met kort, mintgroen haar. Haar heeft hij nog niet eerder gezien, ook niet in een andere kleur. Normaal zijn de mensenhoofden voor hem slechts een zee van zwart en bruin. Hij buigt wat naar links en naar voren om iets van haar gezicht op te vangen. Ze lijkt wel wat op Vera. Heeft die een gekke bui gekregen? Nee, Vera zit ongeveer tien plekken van haar vandaan. Groentje, dat is haar naam dan maar, heeft een bijpassend blauw bloesje aan met wolkenpatroon. Mogelijk dat ze van Geesteswetenschappen afkomt. Daar komen wel meer mensen met afwijkende kleuren vandaan. Heeft ze nu ook een neusring in?
Met al dat staren en wat aantekeningen verwerken van Orgaansystemen vliegt het college voorbij. Een uitermate productieve besteding van de ochtend. En dan maar zeggen dat mannen niet meerdere dingen tegelijkertijd kunnen.

Op de gang loopt Navid net een hoek om als hij wat raars ziet. Op de hoek van het einde van de linkergang staat een enorme man. Hij heeft een nette pantalon met een kort, grijs colbertje aan. Over zijn lange, blanke gezicht met haakneus loopt precies een litteken. Een korte weerspiegeling van zwart staal bij zijn middel. Is hij gewapend? Hij kan hem één seconde goed aankijken alvorens de man de hoek om gaat. Een enorme nieuwsgierigheid dwingt hem om ‘toevallig’ bij die hoek langs te lopen, maar als hij er eenmaal is, blijkt er in de doodlopende gang alleen een papiercontainer te staan en een deur naar een voorraadhok, die na enig onderzoek op slot blijkt te zitten. In zijn hoofd springen meteen allerlei twijfels op. Heeft hij het nu goed gezien? Tijdens die drie seconden was de man er toch echt geweest. Hij schrijft het af als een wilde nacht met een navenant tekort aan cafeïne. De beste man zal echter niet misstaan in het mysterie dat hij wil schrijven.

Na z’n colleges fietst Navid meteen naar huis. Hij is alleen thuis, dus vandaag kookt hij een simpele falafel waar hij rijkelijk uitschiet met de knoflook. Niemand die er last van heeft. Terwijl hij met één hand het geheel naar binnen propt, struint hij het internet af naar relevante informatie, wat uiteindelijk uitdraait op een halve avond Facebook-links volgen. De eerste les van het schrijversleven is daarmee ook meteen geleerd. In het laatste uurtje weet hij echter nog een begin uit te persen. Terry Taylor, een geheim agent voor de Britse kroon die een aanslag door terroristen uit het Midden-Oosten op het Britse parlement moet zien te voorkomen. De grote man die hij eerder op de dag had gezien, wordt de leider van de terroristen en moet nog even de naam Scarface dragen totdat hij een fatsoenlijke naam heeft verzonnen. Terry rijdt natuurlijk in een enorm dikke sportwagen, een rode Porsche Carrera GT, dat was nog gemakkelijk te bedenken, maar verstand van dure kleding heeft Navid niet. Zou hij zich nog een onderzoek wagen of toch maar gaan slapen? Met de belofte om morgen echt, echt verder te gaan, kan hij met een gerust hart in slaap vallen.



De volgende ochtend was een stuk gemakkelijker zonder een paar pils achter de kiezen. Er is zelfs tijd voor een goed ontbijt. Rustig tikt Navid twee eitjes in de pan en grist wat spek van Joost uit de koelkast weg. Deze is toch slechts goed tot morgen en die druif was weer eens bij Aisha blijven slapen. Als hij ze tussen de colleges door in de kantine tegen zou komen, zou hij er wat van zeggen dat hij niet alles over datum moest laten gaan. Duurzame samenleving enzovoort.
Buiten was het een uitzonderlijk mooie dag voor de tijd van het jaar. Het is dan ook geen verrassing dat er diverse cabriolets op de parkeerplaats van het universiteitsterrein staan als Navid zijn fiets in rekken er naast zet. Wat wel opvallend is, naast de klaarblijkelijke voorkeur voor cabrio’s bij professoren aan deze universiteit, is dat één van die auto’s een rode Porsche Carrera GT is. De auto heeft ook nog een Engels kenteken. Stond die er gisteren ook al en heeft hij hem zo onbewust in zijn verhaal opgenomen?

“Mooi ding hè?” zegt Joost als hij zijn fiets naast die van hem zet.
“Staat die auto er al lang?” vraagt Navid. “Hij komt me zo bekend voor. En ook nog met Engels kenteken.”
“Nee, die moet van professor Caulfield zijn. Hij komt vandaag gastcollege geven voor Genetica. Normaal doet hij allerlei toffe dingen aan de uni van Machester. Daarna gaat hij meteen door naar Duitsland.”
Dat maakt het alleen maar verwarrender voor Navid. Begint hij nu helderziend te worden of had de professor toevallig dezelfde smaak in auto’s en simpelweg een groter budget? In ieder geval niets zo goed om randzaken uit te schakelen dan een blok van Stofwisseling en Orgaansystemen. Had je jaren prima geleefd met het feit dat het eten er in ging en vanzelf weer uitkwam, was dit op deze opleiding niet goed genoeg meer. Navid zou deze opleiding niet verlaten totdat hij elk relevant vaatje in het lichaam kon dromen. Des te blijer was hij met de lunchpauze waar hij even kon wederkeren tot een simpel mens dat z’n brood eet zonder er bij na te denken. Hij zit nog geen seconde als de intercominstallatie aanslaat:
“Wil Navid Ahmadi zich melden bij Student Services? Wil Navid Ahmadi zich melden bij Student Services?”

Verbluft loopt Navid een minuut later naar het gebouw waar Student Services in zit. Ze roepen haast nooit een student om. Waarom zouden ze hem moeten hebben? Bij binnenkomst weten ze hem bij één van de balies niet veel meer te vertellen.
“Professor Caulfield wil je spreken. Je mag naar kantoor B1.04,” zegt de vriendelijke jongedame.
“Heeft hij ook gezegd waarover het gaat? Het vak dat hij geeft, heb ik niet eens,” vraagt Navid.
“Geen idee,” antwoordt ze. “Ze vertellen ons hier veel te weinig.”
Navid kauwt op z’n linkerwang als hij de trap naar de eerste verdieping oploopt. Dat doet hij altijd als hij zenuwachtig is, maar normaal weet hij wel waardoor. Hiervoor hoeft hij helemaal niet zenuwachtig te zijn. Of juist wel? Van al deze twijfel, daar wordt hij zenuwachtig van!

Zijn klop op de deur van het kantoor klinkt vele malen krachtiger dan hij zich op dit moment voelt.
“Kom binnen,” klinkt het in prachtig plat Engels.
Hij doet de deur open en daar zit professor Caulfield achter zijn bureau. Het was een streng uitziende man met uitstekende jukbeenderen en een spitse kaak verborgen onder een kort getrimd ringbaardje. Het grijze haar verraadt dat hij geen dertig meer was, maar desondanks ziet hij uit alsof hij nog vaak in de sportschool komt. Eigenlijk alles wat de andere professoren hier niet zijn.
“Ga zitten alsjeblieft,” wenkt de professor hem naar een stoel voor het bureau.
Als Navid de deur achter hem dicht wil doen, valt hem pas op dat iemand anders hem al dicht heeft gedaan. Achter hem staan twee breedgeschouderde mannen die zo door kunnen gaan voor Scarface uit zijn verhaal, hetzij zonder het grote litteken. Even blijft Navid’s hand in het luchtledige wachten, maar dan haast hij zich toch naar de stoel.



“Wil je wat thee?” wijst professor Caulfield op een kan die langs hem staat.
“Wat is er met die big guys?” vraagt Navid in zijn beste Engels.
“Oh die,” antwoordt de professor, “die helpen mij met van alles. Vooral het dragen van de vele spullen die ik nodig heb bij mijn werk.”
“Dat zijn dan behoorlijk zware spullen,” mompelt Navid.
“Wat zei je?” vraagt de professor, zijn stem net iets te hoog om natuurlijk te klinken. “Wil je nu thee of niet?”
“Ja, doet u maar,” antwoordt Navid, maar dat is meer om er vanaf te zijn, dan dat hij daadwerkelijk zin heeft in thee. Zo om hem heen lijkt het op een normale werkkamer. De hele linkermuur wordt in beslag genomen door boekenkasten vol met boeken waar hij er warempel een paar van had gelezen. Op de rechtermuur hangt alleen een nietszeggend schilderij met moderne kunst.
De professor schenkt het kopje voor hem in en schuift het over de donkergroene mat naar voren.
“Melk, suiker?”
Weer schudt Navid zijn hoofd. Op het bureau ligt voor de rest ook niks persoonlijks. Misschien logisch, maar hij zou zich meer op zijn gemak voelen als de man liet blijken dat hij een vrouw en kinderen had, of zelfs maar een hond. Dit gesprek zou niet langer duren dan dat Navid er zin in had.

“Waarom ben ik hier professor?” vraagt hij. Hij kiest de woorden rustig en zorgvuldig uit. Hij had het gevoel dat hij zeker moest overkomen.
Professor Caulfield neemt eerst even een slok van zijn thee voordat hij antwoord geeft:
“Juist, laten we het niet moeilijker maken dan het is. Jij bent dus Navid Ahmadi?”
Hij wacht nauwelijks het knikje van de jongen af.
“Excellent, dan kunnen we beginnen. We weten dat je meedoet aan een schrijfwedstrijd van het Literair Verbond der Fantastische Werken. Dit moet stoppen.”
Navid voelt zijn handen neerslaan op het bureau.
“Wacht, stop,” roept hij. “Even drie stappen terug. Wie is ‘we’? Hoe weten jullie dat en waarom kan het jullie iets schelen?”
Een licht lachje ontstaat in het gezicht van professor Caulfield.
“’We’ zijn een organisatie genaamd FATE. Je zult ons niet in het nieuws zien, want wij bestaan officieel niet. We zijn een alliantie van alle antiterroristische organisaties in de Europese Unie. Wij hebben dus de nodige middelen om mensen in de gaten te houden.”
“U bent dus niet professor Caulfield.”
“Voor jou en voor iedereen op deze school ben ik professor Caulfield. De namen die ik buiten deze school heb, hoef jij niet te weten.”
Dan merkt Navid dat zijn keel aanvoelt als een woestijn. Dankbaar neemt hij een slok van de thee. Niet slecht. Het is niet de standaard Earl Grey, maar iets dat veel lichter en kruidiger is.
“Okee, professor Caulfield,” zegt Navid met nadruk op de valse naam, “waarom kan mijn niet-bestaande schrijverscarrière op zoveel aandacht van u rekenen?”
De man tegenover hem staat op uit zijn stoel en gaat met zijn rug naar Navid uit het raam kijken en vervolgt zijn verhaal.
“Navid, Je hebt vast wel eens gehoord van ISIS, IS of Daesh?”
“Ja natuurlijk,” antwoordt Navid geïrriteerd. “Ik kan lezen.”
Was de man nu tijd aan het rekken?
“Natuurlijk,” zegt de professor kort. “We hebben redenen om te geloven dat het Literair Verbond der Fantastische Werken niet meer is dan een dekmantel voor IS is. Ze drukken pamfletten met geheime codes erop die ze op strategische plekken achterlaten om te worden opgehaald. Boekenwinkels zijn nu eenmaal niet onze eerste keus als wij naar terroristen gaan zoeken. Op de websites die worden genoemd in de pamfletten zitten vaak geheime onderdelen waarop ze nieuwe aanslagen organiseren. Dit is waarom we graag hebben dat mensen er niet bij in de buurt komen.”
“Oh,” is alles wat Navid kan zeggen.
“Ja, we willen niet dat mensen per ongeluk betrokken raken bij dit soort malafide zaken. We hebben inmiddels alle folders weggehaald.”

“Wacht even,” zegt Navid als hij zich iets beseft. “Gaan jullie elke deelnemer aan deze wedstrijden opzoeken op hun werk of school om ze dit persoonlijk te vertellen? Dat lijkt me een beetje omslachtig.”
De man draait zich weer om en Navid ziet door de schittering in zijn ogen dat hij geamuseerd is door zijn antwoord.
“Je stelt de juiste vragen Navid. Dat klopt, wij zoeken niet iedereen op. We hadden jou ook gewoon je best kunnen laten doen en jou je bestseller naar een niet bestaand adres kunnen laten sturen. Je had niks meer gehoord en was het geheel mogelijk na een paar maanden weer vergeten. Dat lijkt ons echter zonde. We willen juist dat je contact met ze gaat zoeken en ons als burgerinformant op de hoogte gaat houden van hun activiteiten. Juist omdat jij de benodigde capaciteiten daarvoor hebt.”
Van die gedachte gingen alle haren van Navid recht overeind staan.
“Waarom zou ik met een stel terroristen in contact willen treden en jullie daarvan op de hoogte willen stellen?”
“Nou,” zei Caulfield, “we zullen je erg dankbaar zijn. Je hebt het misschien nu niet nodig, maar een gunst van een organisatie als de onze zal vast wel ooit iets in jouw leven kunnen betekenen.”
No way, dat risico wil ik liever niet nemen. Ik ga liever op eigen kracht verder dan me aan zoiets wagen.”
“Het zou zonde zijn als je ons niet wil helpen, maar het is jouw eigen beslissing,” zei Caulfield. “Ik heb voor de rest niets meer te zeggen, behalve de hoop dat wij elkaar nooit meer zullen ontmoeten. De omstandigheden zullen dan ongetwijfeld anders zijn.”
“Insgelijks,” zei Navid. Hij staat op van de stoel en loopt in één ruk de kamer uit. Buiten slaakt hij een enorm zucht van opluchting, blij als hij was van die priemende blikken af te zijn. Zijn hoofd voelt vol. Moet hij dit nu aan iemand vertellen of juist niet? Enerzijds heeft hij het gevoel te ontploffen als hij dit niet doet, maar anderzijds voelde het niet goed om nog iets over een geheime organisatie te vertellen aan iemand anders. Hij kan in ieder geval aan Joost gaan vertellen dat dat gastcollege er niet meer kwam. Is het al tijd voor de lunch?



Tijdens de lunch zit Navid nog even alleen aan de tafels in de kantine van het hoofdgebouw. Joost en Aisha hadden belooft hier over vijf minuten te zijn, maar de tocht vanuit het gebouw aan de andere kant van de campus duurde nu al zo’n vijftien minuten. Na de ontmoeting met professor Caulfield heeft hij zijn boterhammen weggegooid en zit nu aan broodje kaassoufflé. Dat had hem nog heel wat moeite gekost om te vinden tussen de duurzame oesterzwamkroket, versgeperste smoothies en yoghurt experiences. Soms had een man gewoon behoefte aan simpel eten, ook al had Aisha daar vast en zeker een andere mening over. In de hoek van zijn ogen ziet hij een opvallende verschijning door de glazen deuren van de kantine heen stormen. Met dat mintgroene haar kon dat alleen maar Groentje zijn. Met een flinke pas slaat ze linksaf richting het buffet. Die heeft vast en zeker berenhonger.
Haar ogen gaan echter over de tafels heen en plots keert ze om zijn richting uit. Haar ogen vinden de zijne en verschrikt kijkt Navid strak naar voren. Hij voelt echter hoe haar blik op hem blijft rusten terwijl ze dichterbij komt. Wat moest zij nu weer?
Hij kijkt haar weer met opgetrokken wenkbrauwen aan om te laten zien dat hij er niks van begrijpt. Ze blijft hem echter strak aankijken. Nog twintig passen voordat ze bij zijn tafel was. Moet ik me nu zorgen maken? Nog tien stappen. Onwillekeurig spant Navid zijn spieren aan en gaat met één been over de bank zitten om snel weg te kunnen rennen. De tafel schokt als zij over de bank tegenover hem schuift.

“We moeten praten,” zegt ze.
“Schijnbaar,” zegt Navid, die nog steeds klaar staat om elk moment weg te duiken.
“Joost en Aisha gaan niet komen.”
Bij het horen van de namen van zijn vrienden schokt Navid naar achteren.
“Wat?” is alles wat hij uit kan brengen.
“Ze zijn onderschept door FATE. Jij dacht toch niet dat je ‘Nee’ kon zeggen tegen die mensen? Kijk maar eens rond.”
Ze wijst naar een tafel twee plekken verderop waar twee vrouwen bezig zijn voor een vak aan de boeken te zien. Nog geen seconde later klinken er twee geluidjes uit hun telefoons. Eén van de vrouwen grijpt afwezig naar haar telefoon en werpt er een blik op. Meteen gaat ze rechtop zitten en leest iets. Daarna stoot ze haar buurvrouw aan en laat het bericht zien. Dan laat ook Navid’s telefoon weten dat hij een nieuw bericht heeft.
“Kijk maar,” zegt ze.
Hij ontgrendelt zijn telefoon en bekijkt wat er aan de hand is. Het is een SMS.

- Burgernet. Politie zoekt man. 22, getint, rond de 1.80m. Zelf geen actie ondernemen.

“Wat!” roept Navid als hij de rest van het signalement doorleest. Zijn ze nu naar hem op zoek?
Als hij weer naar de vrouwen kijkt, ziet hij dat ze hem aandachtig bestuderen.
“Dit ben ik,” wijst hij naar zijn telefoon.
“Dat ben jij,” zegt Groentje kalm. “Dat had ik je ook kunnen vertellen.”
“Dit is gestoord,” zegt Navid.
Dit,” zegt Groentje met nadruk, “gaat op twee manieren aflopen. Of ze pakken je op voor terrorisme en maken je onschadelijk of je gaat met mij mee door de deur naast de kassa.”
“Er zit helemaal geen deur naast de kassa,” zegt Navid verontwaardigd.
Dan pakt Groentje een boek uit haar rugzak en begint te schrijven. Ondertussen kijkt Navid naar de ingang waar twee beveiligers doorheen lopen. Ze zijn op zoek naar iemand en die ‘iemand’ was hij.
“Kijk, ik snap dat je me wilt helpen, maar dit gaat niet helpen,” zegt hij tegen Groentje.
“Zoals ik zei: ‘Je gaat met mij mee door de deur naast de kassa’,” antwoordt ze.
“Zoals ik zei: ‘Er zit helemaal geen deur naast de kassa,” zegt Navid. Was dit nu één grote TV-show?
Ze klapt haar boek dicht.
“Je moet gewoon beter kijken,” zegt ze op geheimzinnige toon.
Navid rolde zijn ogen keek naar de muur naast de kassa. Daar zat nu inderdaad een deur. Wanneer was die daar ingezet?
“Ga je wachten tot de beveiligers gedag hebben gezegd of ben je nu klaar om mee te gaan?” vraagt ze, vooral de vorm.

Daar hoeft Navid niet lang voor na te denken.
“Jij weet blijkbaar waar we naar toe moeten, dus leidt de weg.”
Groentje stopt haar boek weer weg en grijpt Navid bij zijn rechterarm. Braaf volgt hij haar naar de deur, zonder dat de beveiligers hen zien.
Als de deur zich achter hen sluit, strekt een lange donkere gang zich voor hen uit. Waarom was deze gang zo donker als deze net in gebruik was? Hij was toch wel in gebruik? 
“Kom op, je hebt toch een telefoon?” zegt Groentje als Navid blijft treuzelen bij de deur. “Zet je licht aan. Hier hebben we geen tijd voor.”
Navid schrikt wakker uit zijn vertwijfeling en tikt snel de zaklampfunctie op zijn telefoon aan. Een stoffige lichtbundel werpt zich door de gang heen. Hij volgt Groentje terwijl ze iets mompelt over ‘de volgende keer ook licht schrijven’. Misschien had hij toch eerst moeten afwachten wat mensen te zeggen hadden voordat hij met een wildvreemd meisje een pikdonkere gang inging. Hoe verder ze de gang inlopen, hoe meer meer Navid begint te twijfelen aan zijn situatie. De muren zijn perfect wit en glad. Nergens is een andere deur, raam of zelfs maar verwarmingsbuis te bekennen. Gelukkig ziet hij na een halve minuut lopen een streep licht aan het einde van de gang. Het lijkt onder een deur vandaan te komen. Ongemerkt gaat hij steeds sneller lopen. Al die tijd had hij geen woord gezegd tegen Groentje. Zij had wel heel wat lopen mompelen, maar na die eerste zin was er niks verstaanbaar meer uit gekomen. Zonder wat te zeggen, duwt hij haar aan de kant om als eerste bij de deur aan te komen. Als hij de klink vastpakt, hoopt hij vurig dat de deur niet op slot zit. Hij wil zijn hand omlaag bewegen, maar dan voelt hij haar hand op de zijne. Navid voelt zijn adem stokken.
“Rustig maar, alles gebeurd zoals het is geschreven. Uiteindelijk is het onvermijdelijk.”
Dan duwt ze de klink omlaag en wordt Navid verblindt door de zon buiten.

Opgelucht stommelt hij naar buiten. Hij sluit zijn ogen en neemt een flinke teug, blij verlost van de muffe lucht die in de gang hing. Als hij zich omdraait, ziet hij dat de deur achter Groentje is verdwenen.
“Waar is de gang?” vraagt hij aan haar.
“Het bestaan van de gang was klaar nadat wij er doorheen zijn gelopen en wat is een deur nu zonder gang erachter?” lacht Groentje.
“Deuren en gangen verdwijnen niet zomaar,” zegt hij, nu met meer kracht in z’n stem. Eerst was hij nerveus, maar nu voelde hij zich ook steeds bozer worden. Kappen nu met die onzin!
“Ik verzet geen stap meer zonder dat ik weet wie jij bent en wat we gaan doen.”
“Okee, okee,” zegt ze sip. “Ik heb mijn lolletje ook weer gehad. Mijn naam is Anar en we gaan nu snel naar de parkeerplaats. Daar pakken we mijn auto en rijden we ongemerkt naar het Literair Verbond der Fantastische Werken. Vervolgens stel ik je voor aan Unas en dan wordt alles duidelijk. Beloofd.”
“Okee Anar,” zegt Navid, duidelijk gekalmeerd, “dat klinkt akelig normaal. Weet je zeker dat er geen gebouwen plotseling van indeling aan veranderen?”
“Heel zeker,” antwoordt ze. “Dit soort dingen doe ik ook niet voor mijn plezier. Het leven is al moeilijk genoeg zonder dat je er aan gaat tornen. Soms is het echter noodzakelijk, zoals net.”
Navid knikt alleen. Aan de ene kant is hij niet erg overtuigd, maar aan de andere kant wilde hij nu wel eens weten hoe het zat met het Verbond. Ach, hoe gevaarlijk kon een meisje van een kop kleiner met mintgroen haar nu zijn?
“Loop met mij mee,” zegt Anar. “Probeer zo snel mogelijk te wandelen, maar we moeten niet gaan rennen. Mensen zien niks als alles gaat zoals ze verwachten.”

Samen lopen ze langs de lindebomen van het park bij het hoofdgebouw. De vogels kwetteren vrolijk en de zon schittert af en toe door het bladerdek. In het park zitten en liggen diverse groepjes studenten die zich in het geheel niet bekommerden om ene Navid of wie dan ook. Het was een vreemde gewaarwording. Nog geen tien minuten was het meisje aan zijn tafel komen zitten. Tien minuten geleden was ze nog ‘Groentje’ en nu is ze verandert in ‘Anar’. In hoeverre was Navid in die tien minuten veranderd? Van ‘matig student’ tot ‘gezocht terrorist’? Of toch iets anders? In ieder geval lijkt de wereld nog heel veel hetzelfde als ze bij de parkeerplaats uitkomen. Daar wijst Anar op een zilvergrijze, minuscule Toyota.
“Stap daar maar links in.”
“Moet ik gaan rijden?” vraagt Navid.
“Nee,” wenkt Anar nu sneller. “Het is een Japans importmodel. Schiet maar op.”
Navid propt zich met enige moeite in de passagiersstoel.
“Ik had eigenlijk wel wat groters of zo verwacht,” vraagt Navid zich hardop af.
“Waarom?” beantwoordt Anar met weer een vraag.
“Ik weet niet. Met al dat mysterieuze gedoe verwacht ik net zo’n auto als professor Caulfield.”
“Wat zei ik nu net over niet opvallen?” zegt Anar als ze de startknop indrukt. Met een laag gebrom komt de motor tot leven. Soepel stuurt ze de auto uit het vak de weg op.
“Het gaat erom mensen niks te laten vermoeden en dan toe te slaan.”
Bij die laatste woorden geeft ze een flinke dot gas en springt de auto net voor een Mercedes rechts de weg op. Door de plotselinge kracht wordt Navid even in zijn stoel gedrukt.
“De GRMN iQ Supercharger,” zegt Anar met een grote grijns op haar gezicht. “Alleen Japanners zijn zo gek om in een koekblik een supercharger te gooien. Gotta love ‘em. Kostte wel wat moeite om het ding hier te krijgen.”
“Dat kan ik me voorstellen,” zegt Navid, nog steeds met grote ogen.

De herenhuizen van het centrum maken al snel plaats voor de hoge flats van zuidwesten van de stad. Ergens tegen een industrie terrein aan stuurt Anar eindelijk een parkeerplaats op. Het was een parkeerplaats waar duidelijk de afgelopen jaren niemand meer was geweest, want door de scheuren in het asfalt bloeiden al flinke stukken onkruid. Op de gevel van wat een verlaten bedrijfspand lijkt, staan in protserig gouden letters ‘Rustoord De gouden jaren’. Het was dus ooit een bejaardentehuis geweest, maar nu waren zelfs de bejaarden gevlucht voor de deerniswekkende naam ‘De gouden jaren’.
“Waarom zijn staan we nu op deze plek?” vraagt Navid.
“Hierbinnen wacht Unas op ons,” zegt Anar.
“Waarom dan zo’n vervallen plek? Heeft dat ook iets te maken met niet opvallen? Wel een erg Spartaans gebeuren bij jullie.”
Om Anar’s mond verschijnt een kleine glimlach.
“Dat zou je ook kunnen zeggen, maar nee. We zijn hier omdat we dan dichterbij Hem zijn.”
“Wie is ‘Hij’ in dit verhaal dan?” vraagt Navid weer.
“Kom, laten we eerst naar binnen gaan. Alles wordt duidelijk als we eenmaal bij Unas zijn.”
Het tweetal stapt uit en lopen het gebouw in. De automatische deur doet het niet meer, dus ze nemen de nooddeur ernaast. Het is vreemd om in volledige stilte door zo’n groot gebouw te lopen. Op het prikbord hangen nog wat aankondigingen op van een aantal evenementen. Een dansavond en een spannend avondje bingoën.
“Hij zit in het kantoor net achter de receptie,” wijst Anar. De deur van het kantoor staat al open. Gelukkig, want Navid voelt er weinig voor om hier meer aan te raken dan strikt noodzakelijk is. Op de muren van het het kantoor zitten al diverse vochtplekken in het groene behang. Verder is de kamer helemaal leeg geruimd, op een kale, vierkante tafel na, waaraan een man zit te lezen.



De man heeft een opvallend blanke huid met aan één kant zijn haar opgeschoren. De rest hangt in een lange pluk aan de andere kant van zijn hoofd. Zijn lange leren jas hangt op de stoel achter hem. Hij draagt een zwart shirt van een aan de onleesbare belettering te zien zeer serieuze metal band. Navid vraagt zich meteen af of dit dezelfde man was als die de folders van het verbond in de boekenwinkel had gelegd, zoals Bart had beschreven.
"Hey Unas," zegt Anar terwijl ze tegen de deurpost aanleunt. "Ik heb Navid meegenomen. De Woordenaars hadden hem al bijna te pakken."
Even hoort Navid alleen het getik van de tl-balk boven hem. Dan kijkt Unas opeens verschrikt op van zijn boek.
"Oh shit, ik heb helemaal geen stoelen gepakt of niks. Anar, hebben we überhaupt iets in de koelkast liggen?"
"Ja Unas," zegt ze kalm. "Ondanks dat ik al twee dagen zeg dat je van je luie reet af moet komen, heb ik toch maar weer gezorgd dat er eten en drinken klaar ligt."
Ze draait zich om en verdwijnt mopperend rechts de gang in. Het enige wat Navid nog verstaat is 'Ongelofelijk dat ze hem...'.
Unas klapt z'n boek dicht en loopt met een brede glimlach naar Navid toe.
"Navid, welkom bij het Nederlandse hoofdkwartier van het Literaire Verbond der Fantastische Werken. Of, zoals we eigenlijk heten: de Cultus van Thanatos."
Hij slaat een arm de schouder van Navid heen, die zich meteen daaraan ontworstelt.
"Hoe bedoel je 'Cultus van Thanatos'? Ben ik hier in een sekte belandt?"
“Nee, ben je gek,” zegt Unas snel. “Wij zijn wel letterlijk de dienaren van de god Thanatos. Wij zijn onvermijdelijk, zoals Hij ook onvermijdelijk is.”
“Je raaskalt,” zegt Navid.
“Kijk, je kunt ieder moment weer dit gebouw uitlopen, terug naar jouw vrienden van FATE, maar wil je niet weten wat er met jouw vader is gebeurd?”
Tot één seconde geleden was dat ook precies wat Navid wilde doen. Wegrennen van al deze gekte lijkt hem een prima idee, maar wat zegt Unas nu over zijn vader?
“Wat is er met mijn vader? Hij is zo’n zestien jaar geleden plotseling verdwenen en dat was het wel. We hebben weken naar hem gezocht, maar hij was er gewoon niet meer.”
“Wat als ik je nu vertel dat hij juist de reden is waarom wij en ook de Woordenaars naar jou zijn gaan zoeken?”
Unas wenkt Navid mee te lopen naar de oude kantine.
“Dan zou ik wel enigszins geneigd zijn om je te volgen,” antwoordt Navid.
Onderweg veegt Unas nog een spinnenweb van de muur.
“Hopelijk heeft Anar inmiddels iets gevonden om je aan te bieden. Ik ben altijd zo’n slechte gastheer.“
De kantine is donker op een enkele rij met tl-licht na. Het staat vol met dezelfde goedkope witte tafels met hardplastic stoelen als bij de universiteit. Aan een van de eerste tafels zit Anar met drie plastic bekers en een fles huismerk Cola op het tweetal te wachten. Navid gaat expres tegenover haar zitten, waarna Unas langs haar gaat zitten. Het was Navid nog niet opgevallen dat Anar sproeten onder haar ogen had zitten. Wat zou haar oorspronkelijke haarkleur zijn? Niet dat het nu er toe doet. Hij maant zichzelf om te concentreren.

“Als jullie het niet erg vinden, ga ik nu de vragen stellen,” zegt Navid. Zo, dat kwam tenminste zelfverzekerd over. Misschien volgende keer het iets minder als vraag stellen.
“Natuurlijk,” zegt Unas. “Jij bent niet iemand die gaat meewerken zonder dat zijn vragen worden beantwoord. Nu hebben we even tijd, dus ga je gang. Maar niet te lang, want er is nog meer.”
Die laatste opmerking besluit Navid maar te negeren.
“Wat is de Cultus van Thanatos en wat hebben ik en mijn vader daarmee te maken?”
“Zo, meteen twee vragen,” lacht Unas. “De eerste kan ik het beste met een omweg beantwoorden.”
Hij legt het boek wat hij in het kantoor aan het lezen was op de tafel. Het heeft een stevige, grijze kaft zonder een titel of wat dan ook erop. Unas slaat het open in het midden waar blijkt dat het nog halfleeg is.
“Dit is het boek van jouw leven. Of je het nu wil of niet, Thanatos schenkt dit aan jou om tegen de Woordenaars oftewel FATE te vechten. Met dit boek kun je alles in jouw leven veranderen door simpelweg de zinnen te veranderen met deze pen.”
Terwijl hij dit zegt, verschijnen dezelfde woorden op de pagina’s voor Navid.
“Wat?”
Tegelijk met die uitspraak verschijnt de zin ‘Wat?’ in het boek.
“Pak de pen en blader terug naar het moment waarop je met Anar in de auto zat,” instrueert Unas rustig.
Navid pakt gedwee een paar pagina’s en heeft al snel het moment gevonden op ongeveer drie pagina’s terug.
“Streep nu de zinnen door en schrijf het gesprek in de auto zo dat ze je alles over de Cultus heeft vertelt. Sla daarna het boek dicht.”
“Maar waar schrijf ik dan?” vraagt Navid.
“Het boek maakt altijd plaats voor veranderingen. Doe het nu maar.”

Als Navid’s pen het papier raakt, voelt hij zich een beetje licht in het hoofd worden. Het schrappen van de regels gaat samen met een golf van misselijkheid die pas over gaat als het nieuwe verhaal er staat. De oude inkt weekt zich los van het papier en drijft langzaam naar boven om daar te verdwijnen. Hij slaat het boek dicht en meteen gaat er een schok door hem heen.
Voor hem zweeft een grote, zwarte doos. Navid weet gewoon dat dit Pandora’s doos is. Het is echter meer een kruik dan een doos. Uit de kruik vliegen allerlei zwarte verschijningen. Daar is Thanatos. Terwijl de rest van zijn broers en zussen zich razendsnel over de wereld uitstorten om het gouden tijdperk te beëindigen, blijft hij achter. Hij hoeft niet actief zijn krachten uit te oefenen, want Hij is Onvermijdelijk. Als vanzelf komen de geesten van de overledenen naar hem toe om rust te vinden. Hij troost ze graag. Zachtjes fluistert hij in Pandora’s oor om Elpis toch vrij te laten. Het maakte niet uit dat de mensen hoop hadden, want Hij is Onvermijdelijk. Toch knaagt het aan Hem. Waarom zijn Hij en zijn broers en zussen losgelaten op de aarde? Hij kan slecht tegen alle leugens, het geweld en het lijden. Er moest wat gebeuren.
Zo werd de eerste schrijver geschapen. Thanatos kan niet op tegen het geweld van zijn vele verwanten, maar hij kan wel enkelen van ons naast hoop weer controle over ons leven laten hebben, om te vechten tegen het grootste onrecht. Elke schrijver heeft de controle over zijn eigen Boek des Levens, maar alleen het verleden, want de toekomst is het domein van Thanatos zelf.

Opeens is Navid weer in de kantine. Anar heeft zijn arm vast en zet een glas Cola voor hem neer.
“Hier, dat kun je wel gebruiken.”
“Dat was ongelofelijk,” zegt Navid.
“En zo is ons leven,” zegt Unas. “Wij manipuleren ons eigen leven om te strijden tegen het kwaad in de wereld.”
“Dus ik ben een soort van superheld?” vraagt Navid. Hij heeft moeite met adem te halen na de waanzinnige ervaring.
“Mogelijk kun je jezelf zo zien, maar dan minder feestjes en strakke latex pakjes. Dat zou je vader kunnen beamen, maar helaas is hij dood.”
“Hoe bedoel je?” vraagt Navid weer. “Als je jouw leven naar believen kunt herschrijven, dan ben je toch onsterfelijk?”
“Dan moet je wel de kans hebben om het te herschrijven,” antwoordt Unas. Navid ziet aan zijn gezicht dat hij het er moeilijk mee heeft. “De dood is ook onvermijdelijk. Kogels, messen of gewoon een ongelukkige val geven geen tijd om rustig jouw boek erbij te pakken en te corrigeren. Soms is het gewoon het einde.”
Hij pakt een glas cola en gooit het achterover.
“Dat heeft lang niet de impact die ik hoopte dat het had,” lacht hij wrang. “Bij jouw vaders overlijden is de vonk overgesprongen naar jou. Daarom liet ik de folder achter in jouw boekenwinkel, om te kijken of je de vonk had. Die was er, want jouw beginnende mysterie trok de Woordenaars aan als bijen naar honing. Je moet dus uitkijken met wat je schrijft, want als schrijver van Thanatos kunnen jouw woorden zomaar manifesteren.”
“Daar gaat mijn carrière,” grapt Navid.
“Sorry,” glimlacht Unas. “En het slechte nieuws stopt niet alleen daar. Jouw vrienden, Joost en Aisha, zijn meegenomen door de Woordenaars naar het politiehoofdkwartier om ze te ondervragen. Neem van mij aan dat dat niet al te best voor ze kan aflopen. De dienaren van de kwade goden gaan nooit voor de simpele dood, maar zullen je langzaam gek maken of je botten laten vergaan tot stof. Met hun manipulatie krijgen ze echter alles in de doofpot gestopt.”
Daar schrikt Navid wel van.
“Wat kan ik doen?” vraagt hij resoluut.
“Kom maar met mij mee,” zegt Anar. “Hopelijk zijn we nu nog op tijd bij het bureau. Volgens de laatste berichten zijn er slechts twee Woordenaars op het bureau. Diegene die zich Professor Caulfield noemt, is nu in de stad op zoek naar jou, Navid.”
“Dan zal ik hem onderscheppen,” zegt Unas. “Gelukkig zijn dit dienaren van Apate en niet van Geras. Die haat ik altijd zo.”
Navid wil opstaan en met Anar meelopen als hij zich wat realiseert.
“Hoe ga ik mijn boek meenemen?”
“Gewoon in jouw broekzak stoppen,” antwoordt Anar.
En inderdaad, als Navid het probeert weg te stoppen, wordt het boek opeens nog maar een vijfde van de grootte zodat het in zijn broek past.
“Handig,” knikt hij.
“Het enige nadeel daaraan is dat het boek dan ook eerst weer groter moet worden alvorens het weer bruikbaar is,” zegt Anar. “Iets dat je niet wilt in de strijd. We kopen morgen wel een rugzak voor je.”



Een paar straten voordat ze bij het politiebureau zijn, valt het Navid op dat Anar erg verdrietig kijkt.
“Wat is er?” vraagt hij.
Ze zucht en knikt dan.
“Je zei daarstraks dat je je net een superheld voelde, maar dat is het geenszins. Als schrijver wordt je gedwongen veel keuzes te maken die iedereen in jouw omgeving raken. Je kunt zo eeuwen leven, maar bij iedere verandering komt jouw leven verder weg te staan van wat het ooit was. Hoe lang kun je dat volhouden voordat je alleen verder gaat?”
“Hoe bedoel je?” vraagt Navid. “Hoe oud ben je dan?”
“Ik ben zo’n 163 jaar oud en Unas is zelfs de tel kwijtgeraakt sinds de vijfde eeuw.”
Navid’s ogen worden groot en zijn mond droog.
“Precies, en hoe lang denk je dat je dat kunt verklaren naar jouw vrienden en familie? Wij zijn volgers van gerechtigheid en de waarheid. Wij zijn oneindig en onherroepelijk. Wij zijn gebonden om ons leven zo vorm te geven dat het berust op waarheid. Nooit zullen we vliegen of onsterfelijk zijn. Die leugens laten we over aan de Woordenaars, maar elk leven dat je aanneemt zal je uiteindelijk vervreemden van wat je ooit liefhad.”
De auto stopt voor het bureau op een van gereserveerde plaatsen.
“Daarom wilde ik je dit eigenlijk niet vertellen, maar je de waarheid onthouden is een misdaad.”
Navid zegt niets.
“Dat dacht ik wel,” zegt Anar op berustende toon. Ze pakt haar boek uit haar rugzak en begint met schrijven. Het valt Navid nu ook op dat haar boek een stuk dikker is dan zijn boek. Als ze klaar is met schrijven, kijkt ze even in de verte.
“Dit went ook nooit,” zegt ze en ze klapt met gesloten ogen haar boek dicht. Ze gooit haar hoofd met kracht achterover tegen de hoofdsteun en elke spier in haar lijf lijkt gespannen. Dan begint haar huid te golven. Haar huid wordt iets donkerder en haar sproeten verdwijnen. Het korte, mintgroene haar wordt vervangen door lichtbruine, lang haar. Haar gehele gezicht verschuift en wordt een stuk spitser. Als ze weer haar ogen open doet, is ze even lang als Navid en heeft ze een politie-uniform aan. Tevreden kijkt ze in de spiegel. Ze doet haar haar in een staart en zet de politiepet op.
“Je… je bent een stuk ouder,” stamelt Navid.
Ze geeft hem een stomp tegen z’n schouder. Dat was ook een stuk krachtiger merkt hij op.
“Nou, dank je wel,” lacht ze. “Wacht maar tot dat jij je in een oud mannetje moet veranderen. Vijftien jaar politie-ervaring moet wel realistisch overkomen. Nu meekomen!”

Met ferme passen loopt ze de straat over. Navid moet z’n best doen om haar bij te houden.
“Goedemiddag Anar,” roept de receptioniste.
“Goedemiddag Annemarie,” roept Anar terug. “Ik neem deze jongeman even mee naar kamer 1 voor verder verwerking.”
Annemarie kijkt schuin over haar bril heen.
“Kamer 1 is bezet door wat heren van een of andere Europese organisatie. Niet Interpol, maar een andere. Kamer 2 is nog vrij. Ik boek hem wel voor je in. Trouwens, wanneer ga je de rest van jouw dossiers eens bijwerken?”
“Je kent me,” zegt Anar. “Eerst werk, daarna administratie.”
Ze duwt Navid voor zich uit.
“Kom, zoals je hoort, heb ik nog meer te doen.”
Samen lopen ze door een kantoortuin, omhoog langs het kantoor van de inspecteur en hoofdinspecteur. Onderweg wordt Anar nog een paar keer begroet door haar collega’s.
“Het is net alsof je hier echt al vijftien jaar werkt,” fluistert Navid als het even wat rustiger is. “Je kent ook het hele bureau uit je hoofd.”
“Ja, de woorden in het boek zijn de onherroepelijke waarheid,” zegt Anar. “Maar je offert er altijd wat voor op. Je kunt niet vijf dingen tegelijk zijn, dus andere dingen worden weer vergeten helaas. Ik vond Anar de studente wel leuk. Je studie lijkt me heel interessant. Misschien dat ik me nog ooit wel eens in de rol van biologe schrijf.”

Dan steekt Anar haar hand op ten teken dat ze stil moesten zijn. Ze waren bij wachtkamer 1 aangekomen.
“Je moet ze zo snel mogelijk monddood maken,” fluistert Anar. “Hun stem is hun krachtigste wapen. Ze beloven gouden bergen, om je later als gebroken man met niets achter te laten.”
Een seconde later beukt ze de deur open. De klerenkast van eerder kan nog geeneens opkijken voordat hij Anars vuist in zijn adamsappel krijgt. De elleboog die daarop volgt, zorgt ervoor dat hij rochelend met stoel en al op de grond klapt. Ze pakt een mes uit haar vest en steekt deze recht in het hart van de man.
In plaats van bloed spuiten er pikzwarte roetdeeltjes uit de wond. Een paar tellen later is het hele lichaam vergaan tot stof.
“Dat had ik niet verwacht,” zegt Navid.
“Wat dacht je anders?” zegt Anar terwijl ze een pluk haar achter haar oor veegt. “We vechten hier tegen de goden. Die gaan hun dienaren hier niet bloedend op straat laten liggen zodat iedereen het door heeft. Dit wordt gewoon weer een onopgeloste vermissing. Help me liever met het vinden van de tweede dienaar.”
“Navid? Wat is dit allemaal?” hoort hij een klein stemmetje aan de andere kant van de tafel. Gelukkig was het Aisha met Joost. Hij maakt zich wel zorgen omdat ze lijkwit waren weggetrokken. Kwam dat nu door wat op een brute moord leek of door de verhoring?
“We zijn hier om jullie hier uit te halen,” antwoordt hij. “Of niet Anar? Anar?”



Navid draait zich om en ziet dat Anar met open mond en weggerolde ogen naar de deur staart. In de deuropening staat de Woordenaar, die hij Scarface noemt, prevelend naar haar te kijken. Zijn ogen schieten naar Navid en hij voelt een stem zijn hoofd binnendringen.
“Ik voel en begrijp je. Je bent veel te goed voor deze amateurs,” klinkt het. “Je hebt ze niet nodig.”
Dat klinkt logisch. Zij waren hem speciaal komen opzoeken. Dat gebeurd alleen bij mensen met buitengewoon potentieel.
“Pak haar mes en maak haar af voordat ze je weer tegenhoudt.”
Hij loopt naar voren en pakt het mes uit Anars hand. Het lemmet ligt hem goed in zijn handen. Hij zal het perfect kunnen hanteren.
“Het mes. Zet het op haar keel.”
De stem trilt van opwinding, maar Navid negeert het. Hij wil de beste zijn. Daar had hij alleen zichzelf voor nodig. Niet iemand anders die hem de wet voorschreef.
“Snij nu met één haal alle banden door die jou van jouw volledige potentieel afhouden.”
Hier twijfelt Navid. De stem voelde het ook.
“Kom op, je moet hier doorzetten. Je zult als koning regeren over de wereld als je nu doorhaalt.”
Het mes drong langzaam het weke vlees binnen en een klein stroompje bloed liep onder het mes vandaan.
“De eerste keer is moeilijk, maar ik begrijp je beter dan wie dan ook. Jij geeft niet om rijkdom of mensen. Jij vindt kennis en macht veel belangrijker. Kijk naar hun gezichten.”
Navids ogen gaan van Anar, naar Aisha, naar Joost. Allemaal kijken ze glazig uit hun ogen, alsof ze niet hier zijn.
“Zie je hoe de sukkelaars staan te slapen? Dit zijn toch geen mensen waarmee je jouw ambitie waar kunt maken? Zij dromen alleen van simpele weelde of beroemd zijn. Het zijn slechts ijdele dwazen. Sla nu toe en zet de eerste stap naar grootsheid!”
Navids ogen gaan weer terug naar het mes op Anars keel. Wat als hij het niet deed? Dan realiseert hij zich de waarheid.

“Je liegt,” zegt hij tegen de man.
“Wat?” schreeuwt de stem in zijn hoofd. “Ben je dan zo verzot op zwakte tonen?”
“Nee,” zegt hij nu harder. Zijn hand met het mes zakt langzaam van Anars keel tot aan zijn zij. “Ik ben niet oppermachtig als ik moord vanuit enige religie, ideologie of zelfs maar gedachte. Dan maak ik mij slaaf van andermans gedachten. Ik maak mijn eigen regels. Alleen ik beslis hoe mijn leven eruit ziet. Ik laat mij niet verlagen tot iemand anders.”
Zijn hand flitst naar voren en hij werpt het mes recht in de keel van de Woordenaar. De man zakt op zijn knieën en vergaat daarna tot stof. Achter hem hoort Navid ook Anar hoestend op de grond vallen. Meteen draait hij zich om en ontfermt hij zich over haar.
“Gaat het?” vraagt hij. “Het spijt me zo.”
“Nee, nee,” zegt Anar en ze duwt Navid van haar weg terwijl ze haar hand over haar keel houdt. “Het is mijn fout. Ik had meer moeten uitleggen over hoe deze wezens altijd jouw zwakste punt weten te vinden. Als ik niet verrast was geweest, dan had ik ze kunnen weerstaan.”
“Stil maar,” zegt Navid. “Het is al goed. Het is precies gegaan zoals het bedoeld was.”
Anar staat weer op en veegt wat tranen uit haar ogen.
“Je klinkt in ieder geval al precies als één van ons. Kom we gaan hier weg. Mijn carrière bij de politie is voorbij heb ik het idee.”

Met het wegebben van de adrenaline daalt een doodse stilte neer op het gezelschap. Zonder al te veel woorden loopt het viertal het politiebureau weer uit. Alleen Annemarie bij de receptie maakt nog een opmerking over de plotselinge verdubbeling van het gezelschap, maar ze wordt straal genegeerd. In de auto proppen Joost en Aisha zich zonder te morren op de veel te kleine achterbank. Stilletjes start Anar de auto en rijden ze naar de studentenflat waar het drietal woont.
“Dat ging maar net goed,” zegt Anar uiteindelijk. “Maar je weet nu dat het moment is gekomen om te kiezen. Of wil je dat jouw vrienden nog een keer door de Woordenaars worden gegrepen, alleen omdat ze jou kennen?”
“Ik weet het niet,” roept Navid uit pure frustratie. “Wat moet ik doen?”
“Dat is vragen om de toekomst te kijken,” zegt Anar. “Uiteindelijk kunnen we winnen, dat is onherroepelijk, want er zal één van de twee dingen gebeuren. Alle goden gaan terug in Pandora’s doos en er breekt een nieuw gouden tijdperk aan of de mensheid sterft uit. Het zal in ieder geval precies zo gebeuren zoals het bedoeld is. Kunnen jouw vrienden en familie daarop wachten? Kun jij er altijd zijn om ze te beschermen?”
"Wat bedoelt ze Navid?" vraagt Aisha. Navid hoort dat het praten haar moeite kost. "Ik begrijp niks van wat jullie zeggen."
Zuchtend pakt Navid zijn boek uit zijn broekzak. De kaft weegt ditmaal loodzwaar, maar de pen in zijn hand voelt zeker aan.
“Ik weet dat je gelijk hebt,” zegt hij ten slotte en begint met schrijven. “Ik heb mijn keus gemaakt.”
Tags: eris
Subscribe

  • Navid en de Woordenaars #9 (Einde)

    Navid draait zich om en ziet dat Anar met open mond en weggerolde ogen naar de deur staart. In de deuropening staat de andere Woordenaar volop…

  • Navid en de Woordenaars #8

    Een paar straten voordat ze bij het politiebureau zijn, valt het Navid op dat Anar erg verdrietig kijkt. “Wat is er?” vraagt hij. Ze zucht en knikt…

  • Navid en de Woordenaars #7

    De man heeft een opvallend blanke huid met aan één kant zijn haar opgeschoren. De rest hangt in een lange pluk aan de andere kant van zijn hoofd.…

  • Post a new comment

    Error

    Anonymous comments are disabled in this journal

    default userpic
  • 0 comments